In een recente zaak tegen de gemeente Amsterdam heeft Thomas Vetter namens een gezin met twee ernstig zieke kinderen een succesvolle schikking bereikt. De zaak draaide om een vraag die in de praktijk nog vaak tot problemen leidt: valt bepaalde zorg voor kinderen onder de Wmo of onder de Jeugdwet?
Feiten van de zaak
Het betrof een gezin met twee kinderen die te maken hebben met complexe medische problematiek. De kinderen moesten frequent naar medische afspraken en waren ook regelmatig afhankelijk van begeleiding bij het vervoer van en naar school.
De zorgdruk binnen het gezin was zeer hoog. Vader raakte overbelast door de intensieve zorgtaken en verloor uiteindelijk zijn baan. Moeder kampte zelf met gezondheidsproblemen, waardoor zij niet in staat was om alle zorgtaken over te nemen.
Het gezin had daarom bij de gemeente Amsterdam Wmo‑maatwerkvoorzieningen aangevraagd, met name in de vorm van ondersteuning bij de organisatie van de zorg en praktische hulp rondom vervoer en dagelijkse zorg.
Afwijzing en verschuiving naar Jeugdwet
De gemeente wees de aanvraag in eerste instantie af. Volgens de gemeente kon het gezin de noodzakelijke zorg binnen de eigen mogelijkheden organiseren en was er geen sprake van een noodzaak voor Wmo‑ondersteuning.
In een later stadium veranderde het standpunt van de gemeente. Zij stelde toen dat de gevraagde zorg niet onder de Wmo zou vallen, maar onder de Jeugdwet.
Dat standpunt was echter niet zonder meer houdbaar. In het eigen beleid van de gemeente Amsterdam is namelijk opgenomen dat bij zogenoemde “aanpalende wetgeving” – zoals de overlap tussen Wmo en Jeugdwet – afstemming moet plaatsvinden. Er moet dan zorgvuldig worden onderzocht welke onderdelen van de zorg onder de Wmo vallen en welke onder de Jeugdwet.
In deze zaak was die afstemming onvoldoende duidelijk en onvoldoende uitgevoerd.
Schikking na procedure
Tijdens de procedure werd duidelijk dat de afbakening tussen Wmo en Jeugdwet juridisch niet eenduidig is, zeker niet wanneer het gaat om intensieve zorg rond kinderen binnen het gezinssysteem.
Mede tegen die achtergrond heeft de gemeente uiteindelijk gekozen voor een schikking. Deze hield concreet in dat:
- met terugwerkende kracht een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Jeugdwet werd toegekend;
- daarnaast aanvullende individuele ondersteuning op grond van de Wmo werd toegekend.
Hiermee werd feitelijk erkend dat de situatie van het gezin niet binnen één wettelijk kader kon worden opgelost, maar een combinatie van regelingen vereiste.
Belang voor de praktijk
Deze zaak laat zien dat gemeenten niet zonder meer mogen volstaan met het afwijzen van aanvragen of het doorschuiven van verantwoordelijkheid tussen wettelijke kaders.
De vraag of bepaalde vormen van kindzorg onder de Wmo of onder de Jeugdwet vallen, is in de praktijk nog lang niet altijd uitgekristalliseerd. Juist daarom is het van belang dat gemeenten zorgvuldig onderzoek doen en daadwerkelijk afstemmen.
Voor cliënten betekent dit dat het zinvol kan zijn om door te procederen wanneer een aanvraag wordt afgewezen op basis van een onduidelijke of betwiste afbakening tussen regelingen.
Rol van Advokatenkollektief Oost
In deze zaak werd het gezin bijgestaan door Thomas Vetter. Door kritisch te kijken naar de juridische onderbouwing van het gemeentelijk standpunt en de gebrekkige afstemming tussen Wmo en Jeugdwet aan de orde te stellen, kon uiteindelijk een voor het gezin passende oplossing worden bereikt.
Deze zaak onderstreept dat gespecialiseerde rechtsbijstand essentieel kan zijn in het sociaal domein, waar regelgeving complex is en de belangen groot zijn.