Raad van State: Amsterdam moet opnieuw beslissen over urgentieverklaring voor gezin met ernstig zieke kinderen

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een zaak van advocaat Thomas Vetter geoordeeld dat de gemeente Amsterdam opnieuw moet beslissen op een aanvraag voor een urgentieverklaring van een gezin met twee ernstig zieke kinderen. Volgens de hoogste bestuursrechter had het college van burgemeester en wethouders de medische situatie van het gezin zorgvuldiger moeten onderzoeken.

Het Amsterdamse gezin woont met twee jonge kinderen in een tweekamerwoning van 61 m² op de derde verdieping. Beide kinderen lijden aan een ernstige erfelijke botziekte (HME/MO), waardoor zij regelmatig operaties moeten ondergaan en tijdens hun herstel afhankelijk zijn van een rolstoel. Daarnaast heeft de oudste zoon een ernstige vorm van autisme en gedragsproblemen.

Afwijzing vanwege schulden

De ouders vroegen in 2023 een urgentieverklaring aan om sneller in aanmerking te komen voor een andere sociale huurwoning. De gemeente wees die aanvraag af omdat sprake was van een aanzienlijke schuldenlast die volgens het gemeentelijke beleid nog niet voldoende was geregeld.

De rechtbank Amsterdam volgde aanvankelijk het standpunt van de gemeente. Daarbij werd geoordeeld dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor urgentieverlening en dat geen aanleiding bestond om de hardheidsclausule toe te passen.

Hardheidsclausule onvoldoende onderzocht

In hoger beroep komt de Raad van State tot een andere conclusie. Hoewel de Afdeling bevestigt dat Amsterdam vanwege de grote woningnood slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik hoeft te maken van de hardheidsclausule, oordeelt zij dat het college in deze zaak niet zorgvuldig genoeg heeft gehandeld.

Volgens de Afdeling bevatten de overgelegde medische stukken voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake kan zijn van een uitzonderlijk ernstige situatie. Daarbij speelt een rol dat:

  • beide kinderen lijden aan een ernstige en ongeneeslijke botziekte;
  • de huidige woning een negatieve invloed heeft op hun herstel na operaties;
  • de lift in het gebouw regelmatig buiten werking is, waardoor de kinderen vaak moeten worden gedragen;
  • de oudste zoon daarnaast ernstige autisme- en gedragsproblematiek heeft;
  • één van de ouders als gevolg van de zorgsituatie en woonomstandigheden psychische klachten heeft ontwikkeld.

De Raad van State vindt daarom dat de gemeente advies had moeten inwinnen bij een GGD-arts voordat zij besloot de hardheidsclausule buiten toepassing te laten.

Belang voor urgentiezaken

De uitspraak onderstreept dat gemeenten bij aanvragen op medische gronden zorgvuldig moeten onderzoeken of sprake is van een uitzonderlijke situatie die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hoewel de drempel voor urgentieverlening in Amsterdam hoog blijft vanwege het tekort aan sociale huurwoningen, kan een gemeente niet volstaan met een afwijzing wanneer medische stukken concrete aanwijzingen bevatten voor een zeer ernstige situatie.

Bron: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraak 19 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4850.